De column van Anky van Grunsven in De Telegraaf:
'Het niet geregeld deelnemen aan grote wedstrijden in het afgelopen jaar kende vanaf 1 januari 2012 een groot voordeel: ik hoef mijn whereabouts – de schema’s, waarop dopingcontroleurs precies bijhouden waar je als topsporter bent – niet meer in te vullen. Als internationale topper op de wereldranglijst kom je in een testpoule terecht en weet je dat je geregeld gecontroleerd wordt, waar ter wereld je ook bent. Dat is voor het moment even verleden tijd. Dat scheelt een hoop tijd, geregel en ergernis.
Onlangs bezocht een voorlichter van de dopingautoriteit Nederland het olympisch dressuurkader om alle updates door te geven op het gebied van lichaamsvreemde stoffen en doping. Hij verklaarde tevens dat doping bij de ene helft van paardensportcombinaties, het menselijke deel, vrijwel te verwaarlozen valt. De atleten in onze sport worden daarom ook minder getest. Want als er in onze sport sprake is van vals spelen, wordt dat in 99 van de honderd gevallen gedaan via het paard.
Daarin zijn de laatste jaren overigens belangrijke stappen gezet. Tot een paar jaar geleden kende onze sport een zero-tolerance-beleid. Geen enkele lichaamsvreemde stof mocht in het bloed of de urine van een paard worden aangetroffen. Er werd in veel gevallen over doping gesproken, terwijl het broodnodige medicatie betrof om een ziekte of kwaal bij het paard tegen te gaan. Tegenwoordig beschikken wij over het paardenpaspoort. Daarin houden wij precies bij welk middeltje – mits op de lijst van toegestane producten – een paard gebruikt. Als dat middel op een wedstrijd in minimale hoeveelheid wordt aangetroffen, is er tegenwoordig geen probleem meer als je het vooraf hebt aangemeld bij de officiële dierenarts op die specifieke wedstrijd.
Die whereabouts zijn voor sporters een verzoeking. Je moet altijd precies weten waar je bent. Hoe lastig is dat als het de toekomst betreft? Als je een keertje spontaan afwijkt van je schema, moet je dat binnen een uur laten weten. Wie houdt er nou iedere minuut van de dag rekening met een organisatie die je de meeste dagen van het jaar niet eens ziet? Het leverde af en toe echt enorme stressmomenten op, want bij driemaal ‘no show’ word je automatisch geschorst.
Dopingcontroles zijn sowieso niet de beste momenten in de topsport. Na de zilveren olympische teammedaille met Oranje in Atlanta 1996 moest één lid zich melden voor de controle. Ik was de gelukkige. Nou ben ik een behoorlijk preuts meisje uit Erp, dus toen ik mijn broek tot mijn knieën moest laten zakken en mijn shirt tot mijn oksels moest optrekken, kon ik gelijk uren niet meer plassen. De champagne, huldiging en felicitaties volgden elkaar vrolijk op, terwijl ik overspannen in een achterafkamertje flesje voor flesje water wegdronk. De controleur kreeg medelijden met me en nam uiteindelijk genoegen met een waterig plasje, wat eigenlijk niet voldoende inhoud bevatte. Maar goed, hij ging akkoord. Vervolgens heb ik de hele nacht op de wc gezeten, omdat ik toen ineens wel bleef plassen.
Later begreep ik waarom ze zo wantrouwig waren in Atlanta. Iets voor die tijd had een mannelijke atleet een condoom met een slangetje onder zijn arm en deed daarmee of hij plaste. Hij liep alleen tegen de lamp. De zwangerschapshormonen in die plas kon hij de artsen moeilijk verklaren…'
De Telegraaf